Pedagogisch beleidsplan | De Taallijn
Onze visie kunt u lezen in het pedagogisch beleidsplan.
De Taallijn is een programma dat gericht is op de stimulering van de taalontwikkeling van jonge kinderen.
Pedagogisch beleidsplan
Doel pedagogisch beleidsplan
Het pedagogisch beleidsplan is een middel om iedereen die betrokken is bij de
opvang van kinderen binnen de dagverblijven van de Stichting Kinderopvang
Diemen inzicht en duidelijkheid te geven ten aanzien van onze manier van
werken.
Voor nieuwe medewerkers dient dit pedagogisch beleidsplan als ondersteuning
bij het inwerken en het overdragen van onze visie. Voor alle medewerkers geldt
dat dit beleidsplan een leidraad vormt voor het handelen. Het handelen van
de medewerkers wordt getoetst aan dit plan. Onderdelen van dit plan zullen
dan ook regelmatig onderwerp van gesprek zijn tijdens groepsoverleggen en
teambesprekingen.
Ouders kunnen met dit beleidsplan inzicht krijgen in het pedagogisch
handelen ten aanzien van hun kind(eren).
Veiligheid en geborgenheid
Door met aandacht, warmte en inlevingsvermogen te reageren op de signalen die de kinderen ons geven willen wij de kinderen het gevoel geven dat ze waardevol zijn.
Veiligheid en geborgenheid in het contact met de leidsters
Veiligheid en geborgenheid vormen de basis voor het welbevinden van kinderen.
Dit begint al tijdens de ‘wenperiode’ waarin wij tijd en ruimte maken om een
kind (en de ouders) te leren kennen, het kind aan ons en aan zijn nieuwe omgeving te laten wennen.
De tijdsduur dat een kind bij ons is, wordt langzaam opgebouwd en de aanwezigheid van de ouder(s) wordt langzaam afgebouwd. Zo kan een kind in een rustig tempo, een relatie op gaan bouwen met de leidsters en de andere kinderen en langzaam wennen aan de dagindeling, groepsruimte, de geluiden en de gewoontes op de groep.
Een kind voelt zich het prettigst wanneer er adequaat ingegaan wordt op de
signalen die hij geeft. De leidsters proberen deze signalen zo goed mogelijk op
te pikken en te begrijpen door zich te verplaatsen in het kind en te verdiepen in
de behoeftes van het kind. Door een kind aandacht te geven, willen we een kind
laten voelen dat hij opgemerkt wordt en de moeite waard is. Deze aandacht kan
bestaan uit het voeren van gesprekjes, op schoot zitten, samen een boekje lezen
of liedje zingen maar ook in kleine dingen zoals een aai over hun bol, reactie
op hun pogingen tot contact en een positieve opmerking.
Lichamelijk contact met de kinderen vinden we hierbij erg belangrijk (mits het kind het wil). Het
contact maken met een kind bestaat bijvoorbeeld uit het reageren op de eerste
geluidjes die een baby maakt. Laten merken dat je het kind hoort, de tijd nemen
om geluiden terug te maken en af te wachten of een kind hier weer op reageert
(beurtwisseling). Dit is ook tijdens de verzorgingsmomenten erg belangrijk. Bij
de peuters kunnen meer echt gesprekjes worden gevoerd over dingen die ze
meegemaakt hebben of dingen die op dat moment gebeuren.
De kinderen worden in groepsverband opgevangen en hebben behoefte aan
individuele aandacht. Dit brengt onherroepelijk een spanningsveld met zich mee.
Het is voor leidsters een uitdaging om het groepsgebeuren zo te organiseren dat
er ook voldoende ruimte is voor individuele aandacht. Dit zit hem vaak in kleine
dingen zoals even een knuffel, aai over hun bol, compliment, extra taakje wat een
kind mag doen, een lach, een kietelspelletje etc..
Veiligheid en geborgenheid in het contact met de andere kinderen
De kinderen ontlenen houvast en veiligheid aan hun groepsgenootjes. De leidsters
begeleiden de kinderen in het contact met elkaar. Bij de kleinsten wordt het
contact gestimuleerd door kinderen naast elkaar te leggen op de mat of in de box
zodat zij naar elkaar kunnen kijken. Als ze wat groter worden en kunnen kruipen
komen zij vanzelf hun groepsgenoten vaker tegen en kunnen zij zelf actiever zijn
in het contact maken. Dit bestaat in eerste instantie uit het pakken en aanraken
en interesse hebben voor het materiaal waar de ander mee speelt of de geluiden
die de ander maakt en uit het aanraken van elkaar.
Wanneer ze gaan lopen en de eerste woordjes gaan zeggen, krijgen zij meer mogelijkheden om contact te maken. Ze kijken steeds meer naar elkaar en doen elkaar na (samen gillen,
rennen). De kinderen gaan ook steeds actiever en bewuster deelnemen aan de
gezamenlijke activiteiten zoals eten, drinken, bewegen op muziek, liedjes zingen
ed. De leidsters bieden bewust activiteiten aan waarin kinderen gezamenlijk
bezig zijn. Hierin spelen zij vaak nog naast elkaar maar zijn zich wel steeds meer
van elkaar bewust. Zo tegen het tweede jaar ontstaan ook korte momenten van
samen spelen, bijvoorbeeld samen bouwen met de duplo of samen rollen met de
bal. Hierin krijgen ze ook te maken met de frustratie wanneer een ander kind hun
toren omduwt of hun bal afpakt. Dingen gaan niet altijd zoals zij dat willen.
De momenten van samen activiteiten ondernemen, bouwen zich tijdens de
peuterperiode steeds verder uit en verdiepen zich.
Andere kinderen kunnen op een kind onbegrijpelijk overkomen omdat zij voor
hen onvoorspelbaar zijn in hun gedrag. Zij kunnen aan hen zitten, hard op hen af
komen rennen en hen zo aan het schrikken maken, speelgoed afpakken e.d. Wij
proberen kinderen hier langzaam aan te laten wennen door hen eerst vanuit een
veilige positie zoals de box, een wipstoeltje of op schoot te laten kijken naar de
andere kinderen. Vervolgens proberen we het contact uit te bouwen maar wel te
doseren, hierbij zorgvuldig lettend op de reactie van het kind. We ondersteunen
de kinderen in het opkomen voor zichzelf in het contact met de andere kinderen.
De kinderen spelen vaak met elkaar in kleine groepjes. Zo mogen ze regelmatig
zelf kiezen waar ze mee willen spelen bijvoorbeeld met de barbies, de duplo,
de verkleedkleren, de poppenhoek, de puzzels, de tekenspullen etc.. Wanneer
kinderen steeds voor hetzelfde materiaal kiezen, worden zij, zoveel mogelijk,
gestimuleerd om hierin meer af te wisselen. Zo zorgen wij ervoor dat ze nieuwe
ervaringen opdoen en zo hun ontwikkelingskansen vergroten.
Kinderen ontwikkelen voorkeuren voor kinderen (“hij is mijn vriendje”). In principe
respecteren wij kinderen in hun voorkeuren maar wanneer dit ertoe
leidt dat bepaalde kinderen geen aansluiting vinden, proberen wij dit enigszins om
te buigen. Dit doen wij bijvoorbeeld door contacten tussen kinderen te stimuleren
en door gezamenlijke activiteiten met hen te ondernemen zoals samen bouwen
met de duplo, een spelletje doen, een puzzel maken. Ook ondersteunen en
begeleiden wij een kind om zelf contact met andere kinderen te maken en samen
te spelen.
Veiligheid en geborgenheid door de groepsruimte
De kinderen ervaren veiligheid en geborgenheid niet alleen in het contact met de anderen om hen heen maar ook door de ruimte waarin zij zich bevinden. De kinderen worden elke dag in hun eigen groepsruimte opgevangen. Deze ruimte is bekend en voorspelbaar. Zij weten bepaalde materialen te vinden en kennen op een gegeven moment de weg. De ruimte is helemaal ingericht op hun behoeftes. Dit betekent dat de ruimte veilig is en de materialen waar zij bij kunnen voor hen bedoeld zijn. De ruimte biedt hen uitdaging maar ook de mogelijkheid voor rust, zoals een huisje om in weg te kruipen of een mat of bank om even lekker op te gaan zitten of liggen. We vinden het belangrijk dat kinderen ook de gelegenheid hebben zich af te sluiten voor de prikkels om hen heen.
Veiligheid en geborgenheid binnen een gestructureerd dagprogramma
Tenslotte ervaren de kinderen veiligheid en geborgenheid door de duidelijke structuur van het dagprogramma. Deze structuur maakt de dag voor hen voorspelbaar en geeft hen zekerheid en rust. Het overkomt hen niet allemaal zomaar, maar zij weten wat er komen gaat en kunnen hier op een gegeven moment ook zelf op anticiperen door zich bijvoorbeeld na het eten alvast uit te gaan kleden of een schone luier te gaan pakken. Dit geeft hen ook de ruimte en vrijheid om zelf initiatieven te nemen. Een vaste dagindeling geeft kinderen ook vertrouwen: ‘zo gaat het iedere dag, dus zo zal het nu ook wel gaan’. Sommige kinderen kunnen helemaal van slag zijn wanneer zij bijvoorbeeld op een ander tijdstip opgehaald worden en de dag dus anders verloopt dan normaal. Het is belangrijk dat leidsters hiervan op de hoogte zijn en een kind hierop voor kunnen bereiden.
Respect
Door binnen een respectvolle benadering aandacht te besteden aan positief gedrag
leren de kinderen het meest.
Respect komt bij ons ondermeer naar voren in een positieve, opbouwende
benadering. Er wordt goed naar de kinderen gekeken en geluisterd. Dat wat de
kinderen ons laten zien wordt als uitgangspunt voor onze benadering genomen.
We gaan uit van wat een kind kan en proberen het kind te stimuleren zijn
mogelijkheden verder uit te bouwen. Wij leren het kind nieuwe dingen aan door
stapje voor stapje dingen op te bouwen, aan te leren en te zorgen dat een kind
uitdagingen aangeboden krijgt die aansluiten bij zijn mogelijkheden. Belangrijk
daarbij is dat het in een positieve sfeer gebeurt en er vooral positief beloond
wordt. Op deze manier doet het kind positieve ervaringen op die goed zijn
voor het vertrouwen in zijn eigen mogelijkheden en het aangaan van nieuwe
uitdagingen.
Respect in het contact tussen de leidsters en de kinderen
De relatie tussen leidster en kinderen is in principe een afhankelijkheidsrelatie. De
kinderen zullen in principe doen wat leidsters van hen vragen omdat er sprake is
van een bepaald overwicht. Leidsters zijn zich hier van bewust en proberen hier
zorgvuldig mee om te gaan. Zij luisteren en kijken naar de kinderen en proberen
zich in hen te verplaatsen. Zo kunnen regels bijvoorbeeld regelmatig ter discussie
staan: is de regel ook in het belang van dit kind, hoeveel ruimte geef ik dit kind
hierin, hoeveel bewegingsvrijheid krijgt dit kind?
Wij gaan ervan uit dat kinderen meer leren door aandacht te geven aan positief gedrag in plaats van aan negatief gedrag. Wanneer een kind doorgaat met vertonen van negatief gedrag wordt het
negatieve gedrag genegeerd en zal geprobeerd worden positieve aandacht te
geven om zo dit gedrag om te buigen. Soms wordt een kind even op een stoeltje
gezet, al dan niet apart, om bepaald gedrag te doorbreken. Achteraf wordt altijd
met het kind gepraat over het gebeuren en wordt het weer goed gemaakt.
Respect in het contact tussen de kinderen
Wij gaan respectvol met de kinderen om en verwachten ook dat zij respectvol met elkaar en met de leidsters omgaan. Wij willen ieder kind waarderen om wie hij is en wij willen kinderen leren om zo ook met elkaar om te gaan. Bijvoorbeeld door gedag te zeggen als je binnenkomt, op je beurt te wachten als anderen aan het praten zijn, geen speelgoed van elkaar af te pakken en elkaar geen pijn te doen. De kinderen worden hierin begeleid door de leidsters doordat zij dingen aan hen uitleggen en zelf het goede voorbeeld geven.
Respect in het contact met de ouders
Ook in de contacten met ouders neemt wederzijds respect, een open houding
en de bereidheid om naar elkaar te luisteren, een belangrijke plaats in. We vinden
het prettig wanneer ouders aangeven wanneer ze ergens mee zitten of ergens
niet tevreden over zijn. Bij meningsverschillen proberen we, in overleg, tot een
oplossing te komen binnen de mogelijkheden die er zijn.
Respect zit ook in het respectvol omgaan met de regels en afspraken die op het dagverblijf gelden zoals de haal- en brengtijden of het afmelden van een kind wanneer het ziek is of om
een andere reden een dagje thuis blijft. We verwachten van ouders dat zij tijdig
met ons overleggen wanneer zij van de regels af willen wijken.
Respect in het omgaan met de materialen
Respect zit ook in het omgaan met de materialen. Wanneer kinderen speelgoed stuk maken of met dingen gooien, zullen we hen erop wijzen dat het dan kapot gaat en dat we dat niet goed vinden. Natuurlijk bekijken wij ook of er misschien iets anders achter het gedrag schuilgaat: misschien heeft een kind wel teveel energie en is het beter om naar buiten te gaan en lekker te rennen, of te dansen op muziek. Het kan ook zijn dat een kind behoefte heeft aan aandacht en dat door het kind aandacht te geven het gedrag kan worden omgebogen.
Zelfstandigheid
Door een kind zelfstandig dingen te laten doen en beslissingen te leren nemen,
proberen wij een kind zelfvertrouwen te geven. Hierdoor kan een kind nieuwe
uitdagingen aangaan en zich verder ontwikkelen.
Een jonge baby is totaal afhankelijk van de volwassenen om hem heen. Het kind
ontwikkelt zich in zijn eigen tempo tot een individu dat steeds meer in staat is
zelf dingen te doen en keuzes te maken. We vinden het belangrijk om kinderen
in deze ontwikkeling goed te begeleiden en hen vanuit een basis van acceptatie
en vertrouwen te leren zelfstandig dingen te ondernemen, aansluitend bij hun
mogelijkheden. Wanneer een kind in staat is zelfstandig dingen te doen, maakt
dit het kind minder afhankelijk van zijn omgeving. Het kind kan steeds beter
aangeven wat het wel en niet wil waardoor er adequater op hem gereageerd kan
worden. Het kind heeft op deze manier invloed op wat er met hem gebeurt.
Sommige kinderen richten zich meer op de volwassenen dan op de kinderen
om hen heen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een kind eenkennig
is. Het is belangrijk dat kinderen zich hechten aan de leidsters maar een te sterke
hechting kan het kind belemmeren om dingen te ondernemen en zo ervaringen
op te doen. Leidsters zijn zich hier bewust van en proberen kinderen die veel bij
de leidsters zitten en achter hen aan hobbelen geleidelijk aan te stimuleren om zelf
dingen te ondernemen, met andere kinderen te spelen en zichzelf te vermaken.
Het ene kind wil graag zoveel mogelijk zelf dingen doen. Het andere kind vindt
het prettig wanneer de volwassenen zoveel mogelijk voor hem doen. Ieder kind
ontwikkelt zich ook in zijn eigen tempo en op zijn eigen manier. Zo kan het ene
kind motorisch heel snel zijn, terwijl bij het andere kind de cognitieve ontwikkeling
juist wat sneller verloopt. Wij vinden het belangrijk dat een kind zelfvertrouwen
krijgt en willen hem hierin begeleiden door aan te sluiten bij de mogelijkheden
van het kind. Wij denken dat het opdoen van positieve ervaringen het kind
zelfvertrouwen geeft, waardoor hij meer uitdagingen durft aan te gaan.
In het contact met anderen doen kinderen veel vaardigheden op. Wanneer zij zien
dat de andere kinderen rustig aan tafel blijven zitten en hun boterham opeten of
rustig in hun bed blijven liggen wanneer ze moeten gaan slapen, zullen zij eerder
geneigd zijn om dit zelf ook te doen. Wanneer anderen het speelgoed opruimen
voor het eten zullen zij ook eerder geneigd zijn mee te helpen. De leidsters
stimuleren de kinderen hierin ook zoveel mogelijk.
Daarnaast worden de kinderen zich door hun sociaal-emotionele ontwikkeling
steeds meer bewust van hun eigen “ik”. Zij ontwikkelen een zelfbewustzijn en
zelfvertrouwen. In het contact met anderen leren zij steeds beter hun wensen
naar voren te brengen. Soms gaat dat wat ruw, zeker bij de kleintjes maar de
leidsters zullen hen begeleiden om dit op een juiste manier te doen. Dit doen
zij door steeds uit te leggen, erover te praten, te herhalen en door het goede
voorbeeld te geven. De grotere peuters weten vaak heel goed wat wel en niet
mag en “corrigeren” de jonge peuters die de regels nog niet goed kennen. Zij
ontfermen zich vaak ook op een hele lieve, sociale manier over de kleintjes door
hen bijvoorbeeld bij hun hand te nemen en samen met hen dingen te doen.
naar boven ^
Taallijn
De Taallijn is een programma dat gericht is op de stimulering van de taalontwikkeling van jonge kinderen. Tijdens elke taallijn is er ook steeds aandacht voor de sociaal-emotionele en motorische ontwikkeling van de kinderen. Daarom wordt er ook wel gesproken over voor- en vroegschoolse educatie (VVE).
De methode heeft als doel de interactieve taalstimulering te verbeteren zodat achterstand van taalzwakke kinderen zoveel mogelijk wordt beperkt. Pedagogisch medewerkers en leerkrachten leren situaties gebruiken waarin dit spelenderwijs mogelijk is. Mondelinge communicatie, woordenschatontwikkeling, en ouderbetrokkenheid zijn o.a. aspecten die bij de taallijn aan de orde komen. Meer informatie over de taallijn is te vinden op www.sardes.nl en www.taalonderwijs.nl.
Er wordt zowel op Pino als op Hakim gewerkt met de taallijn. Dit betekent dat wij heel bewust met taal aan het werk zijn. We weten al dat kinderen een natuurlijke aanleg hebben om te leren praten en dat de invloed van de omgeving op deze ontwikkeling erg groot is. Op onze kinderdagverblijven zijn er veel taal momenten; tijdens het buiten spelen, het bouwen, het verschonen, samen in een boekje lezen, zingen van liedjes, bij het begroeten en afscheid nemen, etc.. Taal is overal.
We zijn ons (nog) meer bewust gaan worden van wat wij allemaal aan taal aanbieden en leggen dit nu ook vast. We betrekken ouders en houden hen op de hoogte van de thema's die wij uitvoeren en hoe wij dat doen.
Thema circus
We merken dat kinderen nieuwe woorden beter begrijpen en onthouden als ze een directe relatie kunnen leggen tussen een woord en een concrete handeling, ervaring of gevoel.
Zo hebben wij in de zomer van 2010 het thema het circus gedaan.
Naar aanleiding van het thema hebben we met elkaar een aantal woorden uitgezocht die we steeds laten terugkomen; in gesprekjes (sociale en emotionele ontwikkeling), met tekenen en kleuren (fijne motoriek en creativiteit), uit te beelden en voorlezen (grove motoriek en cognitieve ontwikkeling).
Het voorlezen doen we vaak interactief. Dat betekent dat we het verhaaltje niet alleen voorlezen maar ook vragen stellen en de kinderen erover laten vertellen. Door dit te doen en het nogmaals te lezen en dit samen met alle andere activiteiten te verbinden, nodig je kinderen uit om na te denken over het verhaal en worden woorden en hun betekenis beter onthouden.
Zes weken
Elke taallijn periode duurt zes weken waarin elke twee weken een nieuw onderdeel van het thema wordt uitgelicht.
Elke twee weken wordt er een nieuwe lijst met woorden toegevoegd en opgehangen op de groepen die de hele periode worden herhaald. De eerste twee weken zijn het woorden over het circus in het algemeen en in week drie en vier wordt deze aangevuld met de circusdieren. In de laatste twee weken van deze periode komen kleuren en vormen en het feest meer naar voren.
Enkele woorden uit die lijsten zijn: circustent, bal, hoepel, clown, gekleurde doekjes, driehoek, konijn, hoed, acrobaat, goochelaar, kaartjes, kassa, feest, schminken, ringen, rood en directeur.
Als knutselactiviteit (fijne motoriek) maken we onder andere konijnen uit een hoge hoed. Kleuren we een kleurplaat van een circustent of van Bumba en schminken we een rode neus.
Voor de grove motoriek hebben we leuke bewegingsactiviteiten zoals:
- door een hoepel stappen als echte circusdieren (vrij om te kiezen)
- doekjes opgooien en vangen
- over een streep lopen met ringen om je armen
- en voor de baby's kruipen door een tunnel.
In het rollenspel laten we emoties terugkomen door middel van lachen, huilen, klappen, spannend en blij. Er worden boekjes gelezen over het circus, zoals 'hoe Tito zijn neus kwijt speelde' of een boekje van 'Bumba'. ook zingen we liedjes en versjes. Dit thema werd groots afgesloten met een feest waar ook ouders van harte welkom waren.
Emoties
In 2011 zijn we samen met de school en de peuterspeelzaal in de Meridiaan gestart met het thema Emoties.
Het verschil in de leeftijden van de kinderen op de basisschool en de kinderen op het kinderdagverblijf houden wij uiteraard in de gaten. De kinderen van de basisschool kennen en herkennen veel meer emoties dan de kinderen van het dagverblijf. Wij hebben er dan ook voor gekozen om gezamenlijk te werken met de basisemoties bang, blij, verdrietig en boos.
Op school zullen ze de emoties dieper behandelen dan wij. Wij zullen ons meer richten op het herkennen van deze emoties door middel van gezichtsuitdrukkingen en wat voel jij daar bij. Op school behandelen zij ook de emoties die deze emoties veroorzaken.
Samen starten we het thema met een toneelstukje waar alle kinderen van die dag op de basisschool mogen gaan kijken.
Ook dit thema sluiten wij weer gezamenlijk af, met een soort van carnaval.
We gaan dan heerlijk hossen en springen met alle kinderen en sluiten dit af met limonade en een koekje.
naar boven ^